Immers, ze schitteren door afwezigheid in het brede maatschappelijke debat over bestuurdersbeloningen, wat weer doet vermoeden dat geld een zeer belangrijke drijfveer is. Naus vindt het opmerkelijk dat de bestuurders zich niet roeren - ze worden immers aan de lopende band als graaiers neergezet. En wordt de verdediging dan eindelijk ingezet, dan luidt het argument steevast dat de beloning marktconform moet zijn. Daarenboven wordt de verdediging in de regel overgelaten aan de voorzitter van de raad van commissarissen, die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de vaststelling van de beloningen. Wat ook opvalt, is de verbetenheid waarmee bestuurders altijd van zich afbijten: ze zijn het waard, ze hebben er recht op en ze zullen het krijgen ook.
Daarbij worden onderling afgesproken codes regelmatig geschonden en leidt maatschappelijke verontwaardiging maar zelden tot matiging of teruggave.