Een van de eerste tools was die van Blake en Mouton in 1957. Hun populaire `managerial grid` let eigenlijk op twee fundamentele dimensies: zorg voor de taak en zorg voor de mens. De manager moet aan die zaken voldoen. De LPC-methode, de `Least Preferred Co-worker` werkt eigenlijk volgens dezelfde methode. Hierbij draait het vooral om `taakgemotiveerd` en `sociaalgemotiveerd`, waarbij blijkt dat taakgemotiveerde managers het best functioneren in weinig en goed beheersbare werksituaties.
Andere tools die er zijn, zijn die van Situationeel Leiderschap, de PAPI-test (perception and preference inventory) of de WIMAS-test, waarbij de manipulerende manager een rol speelt. Ook zijn er nog de management drives, die moeten achterhalen wat iemand nu daadwerkelijk drijft in zijn of haar functie. Ook wordt gekeken naar de rollen die ze spelen.