In het onderzoek is gekeken in hoeverre de vanuit het bedrijfsleven bekende `oneigenlijke` motieven een rol kunnen spelen bij gemeentelijke resultaatsturing. De studie toont aan dat er een politiek motief is om resultaatsturing te verwachten, maar dat sturing ook gestimuleerd wordt door de wens om te willen voldoen aan de verwachtingen.
Ook is onderzocht op welke manier binnen de BBV-regelgeving resultaatsturing kan plaatsvinden. Dit is vooral evident bij het lokale raadsbeleid met betrekking tot de noodzakelijke ramingen ten behoeve van voorzieningen, extra afschrijvingen op activa met maatschappelijk nut en de tussentijdse winstneming op de voorraad bouwgronden. Omdat dit alles het resultaat voor stemming beïnvloedt, moet de gemeenteraad er op toezien dat het door haar gewenste beleid wordt nageleefd en dat er geen ongewenste resultaatsturing plaatsvindt.