Vermogensposities van gemeenten en provincies staan ter discussie
Niet alleen is het geld feitelijk van de belastingbetaler, het gevaar bestaat dat lagere overheden een minder goede afweging gaan maken tussen nut en lasten in hun besluitvorming over uitgaven. Om hun uitgaven te bekostigen, spreken gemeenten en provincies hun belastingen aan of verhogen zij deze. Is er echter sprake van een vermogensoverschot, dan bestaat het gevaar dat geld wordt besteed aan minder doelmatige uitgaven. Bovendien worden de bestaande verschillen in vermogensposities tussen de gemeenten en provincies onderling opeens veel groter. Datzelfde geldt ook voor het niveau van de voorzieningen.
De vraag dringt zich dan ook op hoeveel geld decentrale overheden nodig hebben en of er genormeerd moet worden. Een normering of verevening om de grote gemeentelijke en provinciale verschillen van Rijkswege weg te werken, kan echter een pervers effect hebben en leiden tot de prikkel om aanwezige middelen uit te geven.